top of page

Jij chanteert het leven met de dood.

Jij chanteert het leven met de dood.’ Het waren woorden die Piet Weisfelt ooit tegen mij uitsprak. In het moment dat hij ze zei, raakten ze iets van waarheid. Tegelijk begreep ik ze niet volledig. Dat dubbele gevoel keerde terug toen ik later zijn blog Appels las, waarin hij deze ontmoeting beschreef. Er was bereidheid om het aan te nemen, en toch klopte er iets niet helemaal.


In die zin lag voor mij iets van schuld besloten. Ik hoorde een beschuldiging: alsof het mijn vrije keuze was om het leven zo te ervaren. Alsof ik ervoor koos om het zwaar te maken en het leven niet aan te nemen. Ik weet nog dat ik hem toen, met wanhoop in mijn ogen, vroeg: ‘Maar hoe dan, Piet? Hoe moet ik dat doen, voluit leven? Ik weet dat niet.’


Zijn antwoord kwam niet in woorden, maar in een appel. Een appel die ik, zo was de boodschap, helemaal diende te eten. Met wormen, klokhuis en al. Ik hoorde daarin de uitnodiging om ook de lelijke, pijnlijke en ongemakkelijke kanten van het leven te nemen. Maar was dat niet precies wat ik mijn hele leven al deed? En dat had mijn leven niet bepaald lichter gemaakt.


Onlangs vulde ik een enneagramtest in. Type 4 kwam daaruit naar voren. In de beschrijving herkende ik iets wezenlijks: het gevoel afgesneden te zijn van de stroom van het leven, alsof anderen vanzelf deelnemen aan iets waar ik alleen naar kijk. De pijn van een oorspronkelijk gemis — het gevoel niet echt ontvangen te zijn — wordt niet alleen ervaren, maar langzaam een identiteit. Zo staat er beschreven.


Bij het lezen hiervan smolt iets van de schuld die ik jarenlang had gevoeld. Het vasthouden aan pijn, verdriet en melancholie is geen persoonlijk falen en geen vrije keuze. Het is een manier waarop ik gepoogd heb betekenis te geven aan lijden. Alsof de pijn mijn bestaan legitimeert: ik voel diep, dus ik ben echt. Na een leven lang deze strategie te hebben gevolgd, voelt het loslaten ervan in eerste instantie niet als bevrijding, maar als verraad aan mezelf.


Vanuit dat perspectief krijgt ook de uitnodiging om ‘het leven aan te nemen’ een andere lading. Het aannemen van het leven vraagt niet alleen moed om de pijn toe te laten — die is er juist al volop — maar vraagt me iets fundamentelers: het loslaten van de identiteit die ik rond dat gemis heb opgebouwd. Niet als twee afzonderlijke bewegingen, maar als één enkele. Het aannemen van het leven is het loslaten van het ‘ik’ zoals ik mezelf ken. En hoe pijnlijk of zwaar soms ook, dat ‘ik’ is me wel dierbaar.


Dat is een heldere beweging, maar geen gemakkelijke. Zeker niet zolang ik de onderliggende angst niet in beeld had: de angst om mezelf kwijt te raken wanneer het verlangen, de pijn en het gemis niet langer als coördinaten van mijn bestaan fungeren.

In de beschrijvingen van dit enneagram type wordt vaak gesproken over een diep verlangen naar verbinding, gecombineerd met het hardnekkige gevoel toch anders te zijn. Een eeuwige beweging van toenadering en afstand. Het verlangen zelf wordt gaandeweg belangrijker dan datgene waarnaar verlangd wordt. Zo ontstaat een dorst die zichzelf in stand houdt en nooit werkelijk gelest kan worden.


Binnen spirituele (non-duale) tradities wordt vaak gezegd dat de oplossing voor het gevoel van tekort en gemis ligt in het inzicht dat alles een uitdrukking is van dezelfde bron. Dat er, voorafgaand aan ieder gevoel van afgescheidenheid, een eenheid is die al gegeven is. De ironie is dat ik deze woorden de afgelopen jaren vaak zelf heb uitgesproken tijdens de non-duale opleidingen die ik gaf. Zoals het gezegde luidt: you teach what you most need to learn.

Wanneer de eenheid wordt herkend die voorafgaat aan het gevoel van gemis, verliest verlangen zijn dwingende kracht. Niet omdat het object van verlangen eindelijk bereikt is, maar omdat wordt gezien dat het nooit werkelijk ontbrak. Iedere zoektocht om het te verkrijgen voert juist verder weg.


Wat me nu nog helderder dan ooit is geworden is dat de moeilijkheid niet ligt in het stoppen met zoeken zelf, maar in het loslaten van de ‘zoeker’. Want wie ben ik wanneer ik niet langer verlang, vind, verlies en melancholisch terugkijk? Wie blijft er over als dit vertrouwde patroon wegvalt?


De Australische non-duale leraar Peter Fenner zei ooit dat als we slechts vijfentwintig procent van ons lijden zouden loslaten, we onszelf niet meer zouden herkennen. Misschien is dat precies waar de angst huist — en waar de uitnodiging begint.

 

 

 
 
 

Recente blogposts

Alles weergeven

Opmerkingen


bottom of page