top of page

Grijpende handen.

Bijgewerkt op: 4 dagen geleden


Het is niet haar afwezigheid die me altijd op afstand heeft gehouden, maar juist haar vastgrijpen in reactie op haar schuldgevoel dat me deed terugdeinzen.

Ā 

Ik kan het in mijn lijf voelen gebeuren. Hij zit op de bank naast me. De avond is intens. De gesprekken hebben een toon van strijd terwijl we beiden zoeken naar liefde. Zijn verlangen is dat ik bij hem kom liggen. Ik kan het niet, ik wil het niet. Ik beweeg exact de andere kant op.

Ā 

Het gesprek komt op intimiteit, het verlangen ernaar en de angst ervoor. Wat zou dit moment meer intimiteit kunnen geven? Ik voel hoe ik vanbinnen zijn kant op beweeg, en hoe ongelofelijk spannend ik het vind. Angst. Voor wat precies weet ik niet. Niet zozeer voor hem. Voor overgave in het algemeen? Ik weet het niet. Mijn lichaam wel.

Ā 

Langzaam wordt het iets rustiger. Niet meer angst in mijn hele lijf, nu vooral angst in mijn hart. Hij pakt mijn hand, vraagt of het ok is. Ik laat het gebeuren tot ik voel ā€˜nee, niet ok’.

Ā 

Vanaf dat moment gaat mijn lichaam met me op de loop. Ik word het verleden in gekatapulteerd. Het gevoel is oud, ik ben jong. Mijn moeder. Ze zoekt me, ze wil me vasthouden. Niet voor mij. Voor haar. Haar troost. Ze voelt zich schuldig. Voor de tijden dat ze van huis was misschien? Als enigste moeder die niet op het schoolplein stond om haar dochter op te halen, maar dat de buurvrouw liet doen omdat zij moest werken. Het was helemaal niet zo vaak. Dat weet ik nu. Ik ken de verhalen goed. Het commentaar dat ze kreeg van de andere moeders. Haar verklaring dat het niet anders kon. Ze moest toch werken.

Ā 

Ik heb altijd gedacht dat mijn terugtrekken kwam omdat ze ā€˜vaak’ weg was. En dus niet betrouwbaar. Ben je er nou, of ben je er niet? Voor een kind onveilig.

Ā 

Maar hier nu op de bank krijg ik iets anders te zien. Mijn lichaam beweegt niet dichterbij. Niet om de angst dat er niemand is, maar om de angst om volledig gegrepen te worden. De tranen stromen, in mijn buik trilt het.

Ā 

Hij zit daar nog steeds, rustig op de bank. Aanwezig. Dit gaat niet over hem. Het is wat ik van hem gemaakt heb. Overdracht. Zoals we dat – met name in liefdesrelaties – zoveel doen. We maken van de ander iemand uit ons verleden net zolang tot de oude pijn, die fysiek ligt opgeslagen, vrij kan komen. Ik heb van hem mijn moeder gemaakt en hij laat me - voor dit moment - mijn overdracht volledig uitleven.

Ā 

Ik word rustiger, kijk hem aan. Zijn verlangen is nog steeds dat ik bij hem kom liggen. Ik kan het niet. Het is te snel. Ik hoef ook niet meer weg, maar voor toenadering is mijn lichaam nog niet klaar.

Ā 

Er komt nog een golf. Lager dit keer. Mijn onderbuik, mijn bekken. Al die keren dat ik niet luisterde en me vlijde in handen die grepen. Een gapend gat tussen ontvangen worden en gegrepen worden, toegeƫigend.

Ā 

Het is wonderlijk hoe ik een (volwassen) leven lang gedacht heb dat mijn aantrekkingskracht tot mannen die niet beschikbaar en onveilig waren een herhaling was van de moeder die niet beschikbaar, en dus onveilig, was. Nu blijkt dat die onbeschikbare mannen jĆŗist veilig waren. Die grepen niet. Ik kon op eigen houtje vertrekken en terugkomen. Zelden echt intiem, maar wel veilig.

Ā 

Ik denk dat het tijd is dat ik een man vind die op mijn vader lijkt.

Ā 
Ā 
Ā 

Opmerkingen


bottom of page