top of page

Kunst als toegang tot de Hemel

  • 22 jan
  • 3 minuten om te lezen

Zo eens in het half jaar, soms eens per jaar, neemt hij contact met me op. Een vraag om samen te kijken. Niets dringends, geen crisis. Meer een zacht kloppen. Dit keer bij hem thuis.


Ik was er eerder geweest. Een oud grachtenpand in Utrecht. Gewelven, smalle doorgangen, hoge ruimtes die je optillen. En kunst. Overal kunst. Aan de muren, de meubels zelf, de ornamenten. Stijlen door elkaar, tijden door elkaar. Alsof niets hier hoeft te kloppen, behalve iets essentieels.


Dat ene schilderij. De vorige keer greep het me ook al. Het spotje gaat even aan. Een gele cirkel. Meer niet. Je hoeft maar kort te kijken en je wordt meegenomen. Of het je naar binnen trekt of juist opent naar iets eindeloos groters, weet ik niet. Het is ook niet relevant. Het doet wat kunst doet: het onttrekt je aan de logica.


We zitten in zijn werkruimte. Oude werken aan de muur — renaissance, romantiek? Ook dat doet er niet toe. Dan komt zijn vraag, in verschillende lagen.

Hoe blijf ik staan?

Hoe blijf ik in contact?

Hoe neem ik mijn ruimte in, zonder dat de ander verdwijnt — of ikzelf?


ā€œMensen hangen aan mij,ā€ zegt hij. ā€œZe teren op me.ā€En later: ā€œIk kan ook verdwijnen. Soms ben ik ’s ochtends wakker en duurt het lang voordat ik er weer ben.ā€


We verkennen. Het raakt aan Liefde en Wil. Liefde als aanvaarding, mededogen, grenzeloosheid. Wil als onderscheid, richting, het vermogen om nee te zeggen. Twee transpersoonlijke kwaliteiten die we allemaal bezitten — en die bijna altijd vervormd zijn geraakt. Liefde zonder Wil wordt oplossen. Wil zonder Liefde wordt hardheid.


Ik nodig hem uit in een visualisatie. Hij is bereid om mee te gaan. Of beter gezegd: hij wil mee. Maar al snel stokt het.


Waar ben je?


ā€œIk sta voor een afgrond. Een ravijn. Dit is waar ik terechtkom.ā€


We zijn hier eerder geweest. Dat weet ik meteen. Een pad langs een ravijn. De zoektocht naar het eigen pad, niet dat van zijn vader, maar het zijne. We stoppen.


Ik herken iets. Niet zozeer in zijn verhaal, maar in de beweging eronder. Ik val stil en sluit mijn ogen. Even tijd nodig om mijn eigen proces los te koppelen van het zijne. Niet om afstand te nemen, maar om helder te blijven. Om te zien welke route ik zelf heb gelopen — en wat daarvan misschien dienend is.


Pak eens twee papiertjes. Op het ene schrijf jeĀ Hemel, op het andereĀ Aarde.


Hij legt ze in de ruimte. Hemel komt in het licht onder het dakraam te liggen, vlak onder een klein gerubijntje. Aarde ligt verderop. Hij gaat op Aarde staan.


ā€œHier weet ik wat me te doen staat. Ik handel, ik stel grenzen, maar ik verlies iets.ā€


Dan Hemel. Hij verdwijnt, zijn lijf staat er nog, maar hij is weg. Dit is bekend, een plek waar hij zich thuis voelt. Comfortabel. En tegelijk is de verbinding met Aarde verdwenen.


Uiteindelijk vindt hij een plek dichter bij Aarde, terwijl het contact met Hemel blijft. Hij kan haar zien. Er inspiratie uit halen. Zijn werk wordt moeitelozer. Grenzen hoeven niet meer streng te zijn. Ze ontstaan vanzelf.


Het wordt zichtbaar: Hemel en Aarde willen verbonden worden. Niet kiezen, maar dragen. De kwaliteit van de Hemel meenemen in het aardse bestaan — dat is bezieling.


ā€œWeet je dat kunst jouw verbinding met Hemel is?ā€ vraag ik. ā€œVia de kunst houd jij contact met die andere wereldā€. Als er iets het mysterie van het leven uitdrukt, dan is het tenslotte kunst.


Hij herkent het onmiddellijk. Als kind al was dat zo.


Achteraf stuurt hij me een mail:Onze sessie werkt heel mooi door. Ik breng het lekker tot uitdrukking — intern en extern — mijn bezielde ik niet meer inhouden šŸ˜‰


Ā 

Ā 
Ā 
Ā 

Opmerkingen


bottom of page